Bij Uitgeverij kleine Uil verscheen vorige week het Basisboek Letterkundig Onderzoek, geschreven door Lieke van Deinsen, Mathijs Sanders en Sandra van Voorst. Dit basisboek dient als naslagwerk voor studenten en docenten in het hoger onderwijs die … Verder lezen Basisboek Letterkundig Onderzoek
Op zondagochtend 20 september aanstaande organiseert Salon Saffier in Utrecht een wandeling langs woningen, ateliers en literaire plekken van de Utrechtse schrijfster en beeldend kunstenares Dirkje Kuik. Deze wandeling wordt geleid door Marijke van Dorst, literatuurkenner … Verder lezen In de voetsporen van Dirkje Kuik met Marijke van Dorst en Marjan Volbeda
In het november/decembernummer 2022 van Onze Taal schreef Guus Middag een artikel over de taal van de classicus, dichter en vertaler J.H. Leopold (1865-1925). Daarin wijst hij vooral op diens archaïsche taalgebruik en de ongebruikelijke woordvolgorde aan de hand van een titelloos gedicht met vier vierregelige strofen:
Om mijn oud woonhuis peppels staan
“mijn lief, mijn lief, o waar gebleven”
een smalle laan
van natte blaren, het vallen komt.
Het regent, regent eender te hooren
”mijn lief, mijn lief, o waar gebleven”
en altijd door en
den treuren uit, de wind verstomt.
Het huis is hol en vol duisternis
“mijn lief, mijn lief, o waar gebleven”
gefluister is
boven op zolder, het dakgebint.
Er woont er een voorovergebogen
“mijn lief, mijn lief, o waar gebleven”
met leege oogen
en die zijn vrede en rust niet vindt.
Dit gedicht is vooral bekend omdat het in veel poëziebloemlezingen is opgenomen. De aanhef was juist vanwege die rare woordvolgorde voer voor parodisten, waarvan er een schreef:
Om mijn oud woonhuis peppels staan,
maar als de cokes op is,
gaan ze eraan.
En ook:
Om mijn oud woonhuis peppels staan
en als ik nodig moet,
pis ik ertegenaan.
De oorspronkelijke tekst geeft volgens Middag ‘vooral sfeer – van dreiging, eenzaamheid, leegte. We lezen een portret van een neerslachtige man, alleen in zijn spookachtige huis, treurend om een verdwenen geliefde.’ Raadselachtig is echter het gebruik van de aanhalingstekens in de tweede refreinregel. Is het een uitroep van de eenzame man? Of is het de wanhoop die hij tot viermaal toe laat spreken?......